Raad van State 2025-02-25 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, zaaknummer 202407656/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Op welke wijze moet de minister motiveren dat hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid ex artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening om een asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen, en mag hij daartoe (mede) verwijzen naar zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel? Feiten — De vreemdeling, Turks onderdaan, heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft die aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. De vreemdeling heeft in de procedure verklaard dat hij in Kroatië onmenselijk is behandeld (onder meer naakt buiten moeten staan), dat hij psychische klachten heeft, en dat hij medisch kwetsbaar is. In beroep heeft hij zijn medisch dossier overgelegd. Overwegingen — De rechtbank had geoordeeld dat de minister het samenstel van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang moet beoordelen bij de vraag of hij zijn discretionaire bevoegdheid gebruikt, en dat hij dit niet kon afwentelen op de eerdere beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Omdat de minister in zijn beleid niet heeft ingevuld wat "bijzondere, individuele omstandigheden" zijn, moet hij volgens de rechtbank eenvoudigweg alle aangevoerde omstandigheden…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken