Raad van State 2022-11-30 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353, zaaknummer 202203068/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Stb. 2020, 242), zoals die luidt sinds 11 juli 2021, in strijd met het Unierecht voor zover zij in asielprocedures zowel de bestuurlijke dwangsom (art. 4:17–4:19 Awb) als de rechterlijke dwangsom (art. 8:55d lid 2 en art. 8:72 lid 6 Awb) uitsluit? Feiten — De staatssecretaris heeft niet tijdig beslist op de asielaanvraag van de vreemdeling. De vreemdeling heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Op 21 april 2022 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag ingewilligd, zonder een bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank heeft desalniettemin een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,00 vastgesteld en een rechterlijke dwangsom opgelegd van € 100,- per dag (maximum € 7.500,-), daartoe overwegende dat art. 1 van de Tijdelijke wet in strijd is met art. 47 EU Handvest (rechterlijke dwangsom) en het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel (bestuurlijke dwangsom). De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld. Overwegingen — De Afdeling behandelt twee afzonderlijke kwesties: de rechterlijke dwangsom (grief 2) en de bestuurlijke dwangsom (grief 1). Belang bij bespreking (r.o. 5) — De staatssecretaris heeft belang bij beantwoording van de zaaksoverstijgende vraag over de Unierechtelijke houdbaarheid van art. 1 van de Tijdelijke wet, o…