ECLI:NL:RVS:2020:1560

Raad van State 2020-07-08 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, zaaknummer 202000935/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Welke nadere termijn mag de bestuursrechter bij een gegrond beroep tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag stellen, en welke dwangsom is daarbij passend? Feiten — Een vreemdeling heeft op 1 mei 2019 een asielaanvraag ingediend. Na het uitblijven van een besluit heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) heeft het beroep gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit bekend te maken, met een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 15.000,00. De staatssecretaris heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en bepleit dat het zogenoemde 8+8-wekenmodel passend is: acht weken voor het eerste gehoor, gevolgd door acht weken voor het bekendmaken van een besluit. Overwegingen — De Afdeling stelt voorop (r.o. 4) dat de rechter ingevolge art. 8:55d, eerste lid, Awb een termijn van twee weken stelt, tenzij bijzondere gevallen aanleiding geven tot een andere termijn op grond van het derde lid. De wetgever biedt ruimte om te kiezen tussen snelheid en zorgvuldigheid; het veroorzaken van het dilemma door het bestuursorgaan rechtvaardigt op zichzelf niet dat zorgvuldigheid wordt opgeofferd aan snelheid. In asielzaken geldt (r.o. 4, inleidend kader) dat de rechter rekening houdt met de verplichting tot behandeling binnen een re…