Rechtbank Den Haag 2025-06-12 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Middelburg), 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278, zaaknummer NL25.7050, eerste aanleg enkelvoudig. Kernvraag — Was de verlenging van de wettelijke asielbeslistermijn met negen maanden op grond van WBV 2023/3 (art. 42 lid 4 aanhef en onder b Vw) rechtmatig in het licht van het HvJ EU-arrest van 8 mei 2025, en was de ingebrekestelling van eiser daarmee geldig? Feiten — Eiser heeft op 18 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. Met de inwerkingtreding van WBV 2023/3 heeft verweerder de wettelijke beslistermijn van zes maanden verlengd met negen maanden. Ter onderbouwing verwees verweerder naar een Kamerbrief van 3 februari 2023, waarin een geleidelijke stijging van het aantal asielaanvragen over een langere periode werd beschreven. Eiser heeft verweerder op 21 januari 2025 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Overwegingen — De rechtbank stelt in r.o. 3-4 voorop dat het HvJ EU op 8 mei 2025 in zaak C-662/23 heeft geoordeeld over de uitleg van art. 31 lid 3 derde alinea onder b van Richtlijn 2013/32 (de Procedurerichtlijn). Kernoverweging: > dat artikel 31, derde lid, derde alinea, onder b), van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde termijn van zes maanden voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de beslissingsautoriteit met negen maanden kan worden verlengd wanneer het aantal verzoeken in een kort tijdsbestek aan…