Raad van State 2020-03-25 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, zaaknummer 201706842/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Waaraan moet de motivering van de feitelijke gronden (zware en lichte gronden) voor grensdetentie en bewaring voldoen, en kan de toelichting bij een feitelijke grond tevens als motivering voor een andere feitelijke grond dienen? Feiten — De vreemdeling is op 1 augustus 2017 krachtens artikel 59a Vw 2000 (Dublinverordening) in bewaring gesteld. Aan de maatregel lagen tien gronden ten grondslag; vier zijn ter zitting niet gehandhaafd en twee zijn door de rechtbank ontoereikend gemotiveerd bevonden. In hoger beroep resteerden drie gronden: (3a) niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen, (4c) geen vaste woon- of verblijfplaats, en (4d) onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris stelden hoger beroep in. Overwegingen — De Afdeling beantwoordt twee rechtsvragen over de motivering van feitelijke gronden. Eerste rechtsvraag: feitelijke en nadere toelichting (r.o. 12–17) Bij de meeste zware gronden van artikel 5.1b, derde lid, Vb 2000 volstaat een toelichting die laat zien dat de grond zich feitelijk voordoet; een nadere toelichting waarom die grond leidt tot een (significant) risico op onderduiken is dan niet vereist. Dit sluit aan bij aanbeveling (EU) 2017/432, die aan…