Raad van State 2025-02-14 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, zaaknummer 202405372/3/V2, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de minister de asielaanvraag van een Marokkaanse vreemdeling en haar drie jongste (Syrische) minderjarige kinderen terecht niet in behandeling genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag? Feiten — De vreemdeling heeft de Marokkaanse nationaliteit en heeft een asielaanvraag mede ingediend namens haar drie jongste minderjarige kinderen (met de Syrische nationaliteit, geboren in 2018, 2022 en 2024). De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. De partner van de vreemdeling (vader van de kinderen) had een subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland; zijn in Nederland verleende verblijfsvergunning asiel is ingetrokken. De drie oudste minderjarige kinderen beschikken eveneens over een van de vader afgeleide subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland, blijkens een brief van de Duitse autoriteiten van 10 januari 2023. De rechtbank vernietigde het overdrachtsbesluit, omdat zij in parallelle procedures de besluiten over de vader en de drie oudste kinderen had vernietigd, en oordeelde dat de minister opnieuw moest motiveren of overdracht aan Duitsland onevenredig hard was (art. 17 Dublinverordening). De eerdere uitspraak van de Afdeling van 17 december 2024 (ECLI:NL:R…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken