ECLI:NL:RVS:2017:1253

Raad van State 2017-05-09 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, zaaknummer 201607681/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Eindigt de subsidiaire beschermingsstatus die een andere EU-lidstaat aan een vreemdeling heeft verleend, van rechtswege op het moment dat de bijbehorende verblijfstitel verloopt? En mag een asielaanvraag op grond van art. 30a lid 1 onder a Vw 2000 niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling weliswaar beschikt over een verlopen verblijfstitel, maar de beschermingsstatus zelf niet is ingetrokken of beëindigd? Feiten — De vreemdeling, houder van een subsidiaire beschermingsstatus in Italië, diende in Nederland een asielaanvraag in. Zijn Italiaanse verblijfstitel was verlopen op 8 mei 2016. Bij brief van 22 juni 2016 bevestigden de Italiaanse autoriteiten dat de vreemdeling deze status had gehad; bij brief van 18 juli 2016 gaven zij toestemming voor terugkeer en zegden toe hem bij aankomst toe te laten tot het Italiaanse grondgebied. De staatssecretaris verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van art. 30a lid 1 onder a Vw 2000. De rechtbank vernietigde dit besluit op de grond dat een niet-ontvankelijkverklaring alleen mogelijk is indien de vreemdeling beschikt over een geldige verblijfstitel. Overwegingen — De Afdeling zet uiteen dat de subsidiaire beschermingsstatus en de verblijfstitel twee te onderscheiden rechtsfiguren zijn (r.o. 5.1.1). Art. 18 en art. 24 van de Kwalificatierichtlijn (richtlijn 201…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken