Raad van State 2025-04-23 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1836, zaaknummer 202402066/2/V3, hoger beroep. Kernvraag — Op welk moment eindigt de facultatieve tijdelijke bescherming die Nederland aan ontheemden heeft verleend op grond van art. 7 lid 1 Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en mag een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd voordat die bescherming is geëindigd? Feiten — Betrokkene genoot in Nederland tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, waaronder de facultatieve variant voor categorieën ontheemden die Nederland op eigen initiatief beschermde. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris betrokkene opgedragen de EU te verlaten binnen vier weken na 4 maart 2024, de datum waarop de facultatieve tijdelijke bescherming eindigde. De rechtbank vernietigde dit terugkeerbesluit. Zowel de minister als betrokkene stelden hoger beroep in. De Afdeling schorste de behandeling en stelde bij verwijzingsuitspraak van 25 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1742) prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het Hof beantwoordde deze vragen bij arrest van 19 december 2024, Kaduna e.a. (ECLI:EU:C:2024:1038). Overwegingen — De Afdeling bespreekt in r.o. 3.1–3.9 de hoofdconclusies van het arrest Kaduna e.a. en verbindt daaraan gevolgen voor de onderhavige zaak. Over de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming (r.o. 3.1–3.6): het Hof benadrukt dat lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben bij het in…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken