Raad van State 2024-01-17 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, zaaknummer 202305663/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — Was de staatssecretaris bevoegd om de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, verleend via de facultatieve bepaling van art. 7 Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG) jo. art. 2 lid 3 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, per 4 september 2023 te beëindigen? En zo niet: wanneer eindigt die bescherming dan wel? Feiten — Na de Russische invasie van Oekraïne op 24 februari 2022 koos Nederland ervoor om via de facultatieve bepaling ook derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning tijdelijke bescherming te verlenen. Bij Kamerbrief van 18 juli 2022 kondigde de staatssecretaris aan hiermee te stoppen; nieuwe gevallen kwamen vanaf die datum niet meer in aanmerking. Voor reeds beschermde derdelanders die zich vóór 19 juli 2022 in de BRP hadden ingeschreven, werd de bescherming aanvankelijk beëindigd per 4 maart 2023, vervolgens uitgesteld naar 4 september 2023. Bij besluit van 3 juli 2023 stelde de staatssecretaris vast dat de tijdelijke bescherming van de vreemdeling op 4 september 2023 zou eindigen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond. Overwegingen — De Afdeling beantwoordt de hoofdvraag in vier stappen. Toepasselijkheid van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op derdelanders (r.o. 8.3-8.4) Uit de woorden "krachtens deze richtlijn" i…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken