Raad van State 2025-04-23 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, zaaknummer 202401901/2/V3, hoger beroep. Kernvraag — Mocht de minister de facultatieve tijdelijke bescherming (art. 7 lid 1 Richtlijn Tijdelijke Bescherming) beëindigen vóór het einde van de verplichte tijdelijke bescherming, en mocht hij al een terugkeerbesluit uitvaardigen terwijl de betrokkene nog rechtmatig verblijf genoot op grond van die facultatieve bescherming? Feiten — Betrokkene genoot tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG) en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris beëindigde bij besluit van 23 augustus 2023 de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 september 2023; dit besluit werd ingetrokken na de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32), waaruit volgde dat de bescherming van rechtswege eindigde op 4 maart 2024. Op 7 februari 2024 — terwijl betrokkene dus nog rechtmatig verbleef — vaardigde de staatssecretaris een terugkeerbesluit uit met een vertrektermijn van vier weken na 4 maart 2024. De Afdeling stelde bij verwijzingsuitspraak van 25 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1742) prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, dat op 19 december 2024 antwoordde in het arrest Kaduna e.a. (ECLI:EU:C:2024:1038). Overwegingen — De Afdeling bespreekt eerst de betekenis van het arrest Kaduna e.a. voor de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming en vervolgens voor het moment…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken