ECLI:NL:RVS:2025:1827

Raad van State 2025-04-23 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, zaaknummer 202402020/3/V3, hoger beroep. Kernvraag — Tot welk moment mocht de minister de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van art. 7 lid 1 Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming) beëindigen, en mocht de minister een terugkeerbesluit uitvaardigen terwijl appellant nog rechtmatig op grond van die facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland verbleef? Feiten — Appellant genoot tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister appellant opgedragen de EU binnen 28 dagen te verlaten, terwijl de facultatieve tijdelijke bescherming pas op 4 maart 2024 eindigde. De rechtbank achtte dit besluit ten onrechte uitgevaardigd zonder voorafgaande gehoorprocedure, maar passeerde dat gebrek; zij ging niet inhoudelijk in op de vraag of het terugkeerbesluit prematuur was uitgevaardigd. In afwachting van het antwoord op prejudiciële vragen schorste de Afdeling de behandeling van het hoger beroep totdat het HvJ EU arrest wees. Bij arrest van 19 december 2024, Kaduna e.a. (ECLI:EU:C:2024:1038), beantwoordde het HvJ EU de gestelde vragen. Overwegingen — De Afdeling bespreekt twee rechtsvragen aan de hand van het arrest Kaduna e.a. Over de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming (r.o. 3.1-3.6 en 4): het HvJ EU heeft bevestigd dat lidstaten een…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken