ECLI:NL:RVS:2024:2644

Raad van State 2024-07-03 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2644, zaaknummer 202306543/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Welke nadere beslistermijn moet de rechter stellen na gegrondverklaring van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een nareisaanvraag (mvv), en is de door de rechtbank gehanteerde termijn van twintig weken juist gemotiveerd? Feiten — De vreemdeling diende een nareisaanvraag in om verblijf bij haar echtgenoot te verkrijgen. Na een ingebrekestelling op 5 mei 2023 stelde zij op 30 juni 2023 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, verklaarde het beroep gegrond en legde een beslistermijn van twintig weken op, met een dwangsom van € 100,- per dag bij overschrijding tot een maximum van € 7.500,-. De rechtbank sloot daarbij aan bij het kader dat de zittingsplaats Arnhem had ontwikkeld in haar uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590). Overwegingen — De Afdeling stelt voorop (r.o. 5) dat de rechter op grond van art. 8:55d lid 1 Awb bij een gegrond beroep een beslistermijn van twee weken oplegt, maar op grond van het derde lid in bijzondere gevallen een andere termijn kan bepalen. De termijn mag niet onnodig lang zijn, maar ook niet onrealistisch kort; zorgvuldigheid van de besluitvorming weegt zwaar. De rechter mag geen termijn stellen waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan die niet kan halen zonder onzorgvuldig te werken (r.o…