ECLI:NL:RBDHA:2025:22665

Rechtbank Den Haag 2025-12-01 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem), 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665, zaaknummer NL25.44591, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Welke rechterlijke dwangsom en welke wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding moet de bestuursrechter hanteren bij gegrondverklaring van een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen op een nareisaanvraag (gezinshereniging bij houder asielvergunning)? Feiten — Referent heeft op 28 mei 2024 namens eiseres (zijn echtgenote) een nareisaanvraag ingediend. De minister besliste niet tijdig; de rechtbank verklaarde een eerste beroep gegrond bij uitspraak van 18 maart 2025 en legde een beslistermijn en een dwangsom van € 100 per dag (max. € 15.000) op. De minister bleef ook daarna in gebreke, waarop eiseres op 15 september 2025 opnieuw beroep instelde. Ten tijde van het verweerschrift (31 oktober 2025) verwachtte de IND de aanvraag pas in januari 2027 in behandeling te nemen. Overwegingen — Het opvolgend beroep is ontvankelijk zonder nieuwe ingebrekestelling; het is gegrond omdat de minister de in de eerdere uitspraak gestelde termijn niet heeft nageleefd (r.o. 3). Bij een opvolgend beroep legt de rechtbank een kortere beslistermijn op dan bij een eerste beroep: de vier weken voor de minister om te beslissen worden gehalveerd (r.o. 4.1.1). Concreet krijgt de minister twee weken om een besluit bekend te maken dan wel gelegenheid tot herstel van verzuim te bieden of nader onderzoek aan te kondigen, met oplo…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken