Raad van State 2024-07-03 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2643, zaaknummer 202305953/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Welke nadere beslistermijn dient de bestuursrechter op grond van art. 8:55d Awb te stellen na een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een nareisaanvraag (mvv)? Feiten — Referent heeft op 10 maart 2022 een nareisaanvraag ingediend voor zijn ouders, alsmede een aanvraag voor zijn pleegbroer op grond van art. 8 EVRM; de staatssecretaris behandelt beide aanvragen in dezelfde procedure. Na ingebrekestelling op 25 juni 2023 hebben de vreemdelingen op 13 juli 2023 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit. De rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard en een getrapte beslistermijn opgelegd: vier weken als standaard, acht weken bij gelegenheid tot herstel van verzuimen, zestien weken bij nader onderzoek, en twintig weken bij combinatie van beide, steeds ingaand op de dag na verzending van de uitspraak, met een dwangsom van € 100,- per dag tot maximaal € 7.500,-. Overwegingen — De Afdeling bevestigt het door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem gehanteerde kader uit haar uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590) als een geschikt en transparant uitgangspunt voor nareiszaken (r.o. 4.5). Op grond van art. 8:55d lid 1 Awb geldt een standaardbeslistermijn van twee weken; de rechter kan ingevolge lid 3 in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen, waarbij de wetgever rui…