ECLI:NL:RVS:2024:1796

Raad van State 2024-05-02 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796, zaaknummer 202205939/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Welke wegingsfactor moet worden gehanteerd bij de proceskostenveroordeling in een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag, wanneer het beroep naast de niet-tijdigheid ook de vraag betrof of de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel? Feiten — De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en droeg de staatssecretaris op alsnog te beslissen. Bij de proceskostenveroordeling paste de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) toe, resulterend in € 379,50. De vreemdeling had in beroep ook aangevoerd dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel; over die vraag bestond ten tijde van het beroep geen rechtseenheid. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de proceskostenveroordeling. Overwegingen — Als hoofdregel geldt wegingsfactor 1 (gemiddeld), tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken (r.o. 3). In beginsel wordt een lichtere wegingsfactor — 0,5 — toegepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (art. 6:2, aanhef en onder b, Awb) en/of de vraag voorligt of het bestuursorgaan een dwangsom is verschuldigd (art. 4:18 Awb); daarvoor geldt wel…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken