Raad van State 2022-07-06 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, zaaknummer 202106513/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — Wanneer mag de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in de bezwaarfase afzien van horen op de grond dat een bezwaar kennelijk ongegrond is (art. 7:3, aanhef en onder b, Awb), en is de daarvoor gehanteerde uitvoeringspraktijk in overeenstemming met art. 7:2 en 7:3 Awb? Feiten — Referent diende namens een Syrische vrouw een mvv-aanvraag in voor gezinshereniging. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een huwelijksgelijkwaardige relatie en onvoldoende inkomen (dan wel onvoldoende onderbouwing van vrijstelling van het middelenvereiste wegens blijvende arbeidsongeschiktheid). In bezwaar legden referent en de vreemdeling nadere stukken over, voerden concrete individuele omstandigheden aan (ziekte van Parkinson bij referent, moeilijke bewijspositie vanwege de situatie in Syrië) en verzochten uitdrukkelijk om een hoorzitting. De staatssecretaris wees het bezwaar zonder horen ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht was geschonden en droeg de staatssecretaris op het gebrek te herstellen. Hangende het hoger beroep verleende de staatssecretaris alsnog de gevraagde mvv. Overwegingen — De Afdeling beoordeelt eerst de uitvoeringspraktijk van de staatssecretaris in algemene zin en vervolgens de toepassing in dit geval. Naar het oordeel van de Afdeling is de uitvoeringspraktijk z…