ECLI:NL:RVS:2022:1788

Raad van State 2022-06-24 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788, zaaknummer 202101333/1/V1, hoger beroep (art. 8:54 lid 1 Awb). Kernvraag — Is het redelijk in de zin van art. 3.106a lid 2 en 3 Vb 2000 dat een Malinese vreemdeling met subsidiaire bescherming in Italië daarnaar terugkeert, en levert terugkeer naar Italië strijd op met art. 3 EVRM of art. 4 EU Handvest? Feiten — De vreemdeling heeft op 16 oktober 2019 internationale bescherming (subsidiaire bescherming) in Italië verkregen, geldig tot en met 19 februari 2024. De staatssecretaris heeft zijn Nederlandse asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 30a lid 1 onder a Vw 2000. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de situatie voor statushouders in Italië in strijd is met art. 3 EVRM en art. 4 EU Handvest. De rechtbank vernietigde het besluit, maar uitsluitend omdat de staatssecretaris ondeugdelijk had gemotiveerd dat terugkeer redelijk was. Overwegingen — Grief staatssecretaris (r.o. 3.1): de rechtbank heeft ten onrechte aansluiting gezocht bij de uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:122), die uitsluitend betrekking heeft op de beoordeling bij terugkeer naar een veilig derde land ex art. 30a lid 1 onder c Vw 2000. Bij terugkeer naar een andere EU-lidstaat ex art. 30a lid 1 onder a Vw 2000 geldt dat de vereiste band met die lidstaat als bedoeld in art. 3.106a lid 2 Vb 2000 al bestaat zodra de vreemdeling daar internationale bescherming heeft verkreg…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken