Raad van State 2018-07-04 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State, 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, zaaknummer 201801023/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — Of de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat de door een transgender vrouw uit Cuba ondervonden problemen niet zwaarwegend genoeg zijn om als vervolging in vluchtelingrechtelijke zin te worden aangemerkt, en of de rechtbank dit oordeel ten onrechte heeft overruled. Feiten — De vreemdeling, geboren als man maar zichzelf identificerend als vrouw, heeft in Cuba meerdere malen politieaanhoudingen ondergaan, waarschuwingsbrieven ontvangen, boetes opgelegd gekregen en werd bedreigd met gevangenschap. De staatssecretaris heeft haar transgenderidentiteit en de ondervonden problemen geloofwaardig geacht, maar de asielaanvraag bij besluit van 18 december 2017 afgewezen op de grond dat de problemen onvoldoende verband houden met haar genderidentiteit en niet zwaarwegend genoeg zijn voor vluchtelingrechtelijke vervolging. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit; de staatssecretaris stelde hoger beroep in. Overwegingen — De Afdeling verklaart het hoger beroep kennelijk gegrond en doet de zaak zelf af. Voor wat betreft de eerste grief verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:RVS:2018:2168, en oordeelt dat de daarin neergelegde overwegingen van overeenkomstige toepassing zijn. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling aan…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken