Hoge Raad 2025-01-17 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, zaaknummer 24/00575, cassatie (belastingkamer). Kernvraag — Mocht het hof voor de proceskosten van het incidentele hoger beroep geen punt toekennen omdat het verweerschrift en het beroepschrift incidenteel hoger beroep in één geschrift waren opgenomen? En zijn de door de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) ingevoerde beperkingen van proceskostenvergoedingen in bpm-procedures verenigbaar met het discriminatieverbod van art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en art. 26 IVBPR, alsmede met het Unierechtelijke doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel en art. 47 Handvest? Feiten — Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag bpm opgelegd. De rechtbank verminderde die aanslag. De inspecteur stelde hoger beroep in; belanghebbende diende in één geschrift een verweerschrift én een beroepschrift incidenteel hoger beroep in. Het hof verklaarde het principale hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond. Voor de proceskosten kende het hof twee punten toe (verweerschrift en zitting) maar geen punt voor het instellen van incidenteel hoger beroep, omdat dat in hetzelfde geschrift stond als het verweerschrift. Ten overvloede oordeelde het hof dat het gewicht van het incidentele hoger beroep als zeer licht (factor 0,25) kon worden beschouwd. Oordeel hof — Het hof kende voor de proceskosten van het hoger beroep twee punten toe op grond van art. 8:75 Awb jo. het Besluit…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken