ECLI:NL:HR:2005:AU4300

Hoge Raad 2005-10-14 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, zaaknummer 40.299, cassatie. Kernvraag — Hoe is de bewijslastverdeling bij de vaststelling van de WOZ-waarde als bedoeld in art. 17 lid 2 Wet WOZ, en mag de rechter de waarde in goede justitie vaststellen indien beide partijen hun standpunt geloofwaardig hebben onderbouwd maar geen van beiden de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt? Feiten — Ten aanzien van een woningbouwvereniging zijn bij beschikkingen de WOZ-waarden vastgesteld van 733 in Q gelegen onroerende zaken voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. Na bezwaar en beroep heeft het Hof Den Haag geoordeeld dat beide partijen hun standpunten omtrent de waarde van de woningen ieder voor zich geloofwaardig hadden onderbouwd met taxatierapporten en argumenten, en heeft het de waarden vervolgens in goede justitie vastgesteld op een waarde tussen de door partijen verdedigde waarden. B en W van de gemeente Oostflakkee stelden cassatie in. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat beide partijen hun standpunten over de WOZ-waarden gelijkwaardig geloofwaardig hadden geschraagd en dat een redelijke toepassing van art. 17 leden 1 en 2 Wet WOZ onder die omstandigheden meebracht dat het de waarden in goede justitie diende te schatten op een bedrag tussen de door partijen verdedigde waarden. Overwegingen — In r.o. 3.2 formuleert de Hoge Raad de bewijslastregel voor WOZ-waarderingen: Kernoverweging: > De bewijslast met betrekking t…