ECLI:NL:HR:2016:252

Hoge Raad 2016-02-19 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, zaaknummer 14/03907, cassatie. Kernvraag — Welke regels gelden voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken (buiten het domein van de bestuurlijke boete), en hoe dienen de redelijke termijn, de toerekening van overschrijding aan bezwaar- en beroepsfase, en de hoogte van de vergoeding te worden bepaald? Feiten — Aan erflaatster is een aanslag IB/PVV 2001 opgelegd. Het bezwaarschrift is op 7 oktober 2003 ontvangen. De inspecteur hield de uitspraak op bezwaar aan in afwachting van een procedure van de echtgenoot; erflaatster stelde beroep in. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd (art. 8:54 Awb), welke uitspraak na een verzetprocedure en cassatie uiteindelijk sneuvelde (HR 12 maart 2010, BNB 2010/156). Erflaatster overleed op 11 januari 2008; de procedure werd voortgezet door haar erfgenaam. De inspecteur deed op 16 september 2010 uitspraak op bezwaar; de rechtbank deed uitspraak in de hoofdzaak op 1 juni 2012 en kende vervolgens bij afzonderlijke uitspraak van 23 mei 2013 een vergoeding van € 500 toe. Het hof stelde de vergoeding bij voor de immateriële schade op € 4.500. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de periode vóór het overlijden van erflaatster mede in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van de schadevergoeding. Het berekende de overschrijding in eerste aanleg op drie jaar en twee maanden (bezwaar ontvangen 7 oktober 2003 tot…