Hoge Raad 2005-04-22 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, zaaknummer 37.984, cassatie. Kernvraag — Wanneer vangt de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM aan in fiscale boetezaken, wat is de duur van die termijn, en welk gevolg verbindt de rechter aan overschrijding daarvan? Feiten — Aan belanghebbende is over 1995 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 410.465, met een verhoging van honderd percent waarvan de Inspecteur vijftig percent heeft kwijtgescholden, zodat een verhoging van ƒ 35.698 resteerde. Het Hof heeft de verhoging wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot ƒ 17.850. Het Hof stelde vast dat de eerste besprekingen over de bevindingen van het boekenonderzoek plaatsvonden op 16 september 1997 en dat zijn uitspraak van 2 november 2001 ongeveer vier jaar later volgde, waarbij een groot deel van de termijnoverschrijding aan binnen het Hof gelegen omstandigheden was toe te schrijven. Beroep in cassatie werd ingesteld op 2 januari 2002. Overwegingen — De klachten in het principale beroep worden verworpen via art. 81 RO (r.o. 3). In r.o. 4.1 kondigt de Hoge Raad aan, deels in afwijking van eerdere rechtspraak, algemene uitgangspunten en regels te formuleren voor fiscale boetezaken. Het navolgende geldt eveneens voor verhogingen als bedoeld in de artt. 9, 18, 21 en 22 AWR (oud). Aanvang redelijke termijn (r.o. 4.2): de termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de b…