Hoge Raad 2022-06-10 — Civiel recht; Verbintenissenrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, zaaknummer 21/02798, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Wanneer is bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst via een tussenpersoon sprake van een vergunningplichtig financieel advies als bedoeld in de arresten B/Dexia en T/Dexia, en wat zijn de rechtsgevolgen wanneer een tussenpersoon zonder de vereiste vergunning orders heeft doorgegeven aan de aanbieder? Feiten — Verweerder heeft in 1999 een effectenleaseovereenkomst gesloten met (een rechtsvoorganger van) Dexia, via een tussenpersoon die niet over de vereiste vergunning beschikte. In 2006 stuurde Dexia een eindafrekening met een negatief saldo van € 3.384,29; verweerder betaalde in totaal € 6.270,85 aan maandtermijnen en € 3.384,29 aan restschuld en ontving € 863,11 aan dividenden. Verweerder heeft tijdig een opt-outverklaring ingediend en is daardoor niet gebonden aan de WCAM-schikking. Dexia vordert een verklaring voor recht dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Verweerder stelt dat de tussenpersoon zonder vergunning als financieel adviseur en/of orderremisier is opgetreden en dat Dexia dit wist of behoorde te weten, zodat de volledige schadevergoedingsplicht van Dexia in stand moet blijven. Overwegingen — De Hoge Raad behandelt twee afzonderlijke vraagcomplexen: advisering door tussenpersonen (vragen I–VI en X–XII) en het doorgeven van orders (vragen VII–IX en X–XII). Reikwijdte vergunningplicht bij advies (r.o. 2.10.2–2.10.1…