ECLI:NL:HR:2018:1935

Hoge Raad 2018-10-12 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, zaaknummer 17/05021, cassatie. Kernvraag — Mag een gerechtshof afwijken van de door de Hoge Raad in het arrest [B]/Dexia (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012) geformuleerde regel dat de billijkheid in beginsel vereist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft indien bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst een niet-vergunde cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden en de aanbieder dat wist of behoorde te weten? Feiten — [Eiser] heeft in 2000 een effectenleaseovereenkomst (AEX Plus Effect Vooruitbetaling) gesloten met een rechtsvoorganger van Dexia. Bij de totstandkoming was NBG Finance als tussenpersoon betrokken. Dexia heeft de overeenkomst wegens betalingsachterstanden beëindigd; de eindafrekening van december 2005 vermeldt een negatief resultaat van € 8.307,34. Niet in geschil is dat Dexia haar zorgplicht jegens [eiser] niet is nagekomen. Oordeel hof — Het hof heeft, veronderstellenderwijs aannemende dat NBG Finance [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia dat wist of behoorde te weten (en impliciet dat NBG Finance niet over de vereiste vergunning beschikte), geweigerd de [B]/Dexia-regel toe te passen. Het hof achtte die regel in strijd met een aanvaardbare processuele en maatschappelijke orde: zij vertraagt de afdoening van effectenleasezaken, leidt tot onaanvaardbaar verschil in behandeling van vergelijkbare gevallen, doet geen recht aan d…