Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-02-11 — Civiel recht
Instantie en datum — Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:688, zaaknummer 200.328.848, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de tussenpersoon (Finplan B&K B.V.) de afnemer vergunningplichtig geadviseerd bij de totstandkoming van drie effectenleaseovereenkomsten met Dexia, en wist Dexia dit of behoorde zij dit te weten, zodat haar vergoedingsplicht op grond van art. 6:101 BW geheel in stand blijft? Feiten — Drie effectenleaseovereenkomsten zijn tot stand gekomen via tussenpersoon Finplan B&K B.V., die als cliëntenremisier optrad zonder vergunning als bedoeld in art. 7 lid 1 Wte (oud). De afnemer stelt dat de tussenpersoon zijn financiële situatie en doelstellingen in kaart heeft gebracht en hem vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van Dexia als geschikt heeft aanbevolen. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan de afnemer is verschuldigd nadat de in r.o. 4.18 van dat vonnis omschreven schadevergoeding is uitbetaald, en heeft Dexia in de proceskosten veroordeeld. Dexia is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Overwegingen — Het hof stelt in r.o. 3.4 voorop dat een cliëntenremisier zonder vergunning weliswaar gebruik kon maken van de generieke vrijstelling van art. 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte (oud) om cliënten aan te brengen, maar dat het hem niet vrijstond mede als beleggingsadviseur op te treden. Art. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 verbood Dexia een effectenleaseovereenkomst aan te gaan i…