Hoge Raad 13 maart 2020 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:430, zaaknummer 18/05115, cassatie. Kernvraag — Kan het wettelijk vermoeden van art. 5:36 BW (midden van een erfafscheiding vormt de grens) worden weerlegd door getuigenverklaringen en overige omstandigheden, indien een kadastrale meting uitwijst dat de erfgrens niet aan de buitenzijde maar onder de afscheiding loopt? En kan het bouwen van een erfafscheiding op zichzelf volstaan als bezitsdaad voor verkrijging door verjaring ex art. 3:105 BW van de grond onder die afscheiding? Feiten — De percelen van eiser en verweerders grenzen aan de achterzijde aan elkaar. Verweerders hebben in 1990 een tegelmuur (circa 90 cm hoog, circa 50 cm breed) als erfafscheiding laten plaatsen. In 2013 is de tegelmuur verwijderd en is een schutting geplaatst op de plek waar de buitenzijde van de tegelmuur liep (bezien vanaf het perceel van verweerders). Een in opdracht van eiser uitgevoerde kadastrale meting uit augustus 2013 heeft uitgewezen dat de schutting ter hoogte van de garage 29 cm buiten de kadastrale erfgrens staat; in de rechterachterhoek staat de schutting precies op de kadastrale grens. Eiser vordert verplaatsing van de schutting en verklaringen voor recht dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de grond waarop de tegelmuur stond. Verweerders vorderen in reconventie de helft van de schuttingkosten (€ 1.955,96). Oordeel hof — Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de vorderingen van eiser afgewezen…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken