Hoge Raad 2018-09-28 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, zaaknummer 18/00855, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Dient art. 6:265 lid 1 BW zo te worden uitgelegd dat iedere tekortkoming de schuldeiser de bevoegdheid geeft tot ontbinding, tenzij de uitzonderingsgrond van de tenzij-bepaling aan de orde is, en gelden voor ontbinding van een huurovereenkomst voor sociale woonruimte bijzondere eisen? Feiten — Eigen Haard (toegelaten instelling ex Woningwet) verhuurt aan verweerder een sociale huurwoning. De toepasselijke algemene voorwaarden verbieden onderverhuur of ingebruikgeving aan derden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming. Van mei tot december 2017 heeft verweerder zonder toestemming van Eigen Haard kosteloos een gezin met jong kind in de woning laten inwonen; verweerder heeft de woning zelf steeds als hoofdverblijf behouden. Eigen Haard vordert in kort geding ontruiming op grond dat de tekortkoming ontbinding rechtvaardigt. De voorzieningenrechter stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Overwegingen — De Hoge Raad begint met de structuur van art. 6:265 lid 1 BW (r.o. 3.5). De bepaling kent een hoofdregel (iedere tekortkoming geeft de schuldeiser de ontbindingsbevoegdheid) en een tenzij-bepaling (tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt). Het is onjuist dat de tenzij-bepaling slechts bij uitzondering of in zeldzame gevallen toepassing vindt. Hoofdregel en ten…