Hoge Raad 6 december 2019 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1907, zaaknummer 18/02194, cassatie. Kernvraag — Kan een eigenaar op grond van art. 5:49 BW verlangen dat een reeds aanwezige mandelige coniferenhaag op de erfgrens wordt verwijderd en vervangen door een scheidsmuur, ook zonder dat hij een bijzonder belang hoeft te stellen? En heeft het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door een ingetrokken vordering toe te wijzen? Feiten — Eisers en verweerder zijn buren; op de erfgrens staat een coniferenhaag die al ruim 25 jaar als erfafscheiding fungeert en mandelig eigendom is van partijen. Verweerder vordert verwijdering van de haag en veroordeling van eisers tot medewerking aan het oprichten van een mandelige scheidsmuur van twee meter hoog op de erfgrens. De rechtbank wees de vorderingen af. Het hof wees ze vrijwel volledig toe. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat een coniferenhaag naar haar aard niet ondoordringbaar, afgesloten en ondoorzichtig is en breder is dan een stenen muur, zodat zij niet als scheidsmuur in de zin van art. 5:43 BW kwalificeert. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de bevoegdheid van art. 5:49 BW is beperkt als er mandelige beplanting als erfafscheiding aanwezig is; de mandeligheid staat aan uitoefening van dat recht niet in de weg. Van misbruik van bevoegdheid of strijd met redelijkheid en billijkheid is geen sprake, ook niet nu de haag al meer dan 25 jaar in stand is gehouden. Overwegingen — In r.o. 3.1.2 stelt de…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken