Hoge Raad 2019-07-05 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, zaaknummer 18/01961, cassatie. Kernvraag — Welke bewijsregels gelden voor de beoordeling van verschoonbare termijnoverschrijding bij te laat bezwaar tegen een fiscale bestuurlijke boete, en dwingt art. 6 EVRM tot het aannemen van een bewijsregel ten voordele van de belastingplichtige die stelt het aanslagbiljet niet te hebben ontvangen? Feiten — Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, vergezeld van een verzuimboete. Het aanslagbiljet is gedagtekend 26 juli 2014. Belanghebbende heeft op 2 oktober 2014 bezwaar gemaakt, terwijl de bezwaartermijn op 8 september 2014 eindigde. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het hof heeft die beslissing bekrachtigd, daarbij oordelend dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Belanghebbende stelde voor het hof dat zij het aanslagbiljet nimmer had ontvangen. Oordeel hof — Het hof heeft geoordeeld dat de aanslag tijdig op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, dat de bezwaartermijn is aangevangen op de dag na dagtekening en eindigde op 8 september 2014, en dat het op 2 oktober 2014 ontvangen bezwaarschrift dus te laat was. Het hof heeft verder geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, zonder te onderzoeken of de inspecteur de onjuistheid van belanghebbendes stelling (dat zij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen) had bewezen. Het hof heeft de be…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken