Hoge Raad 2024-06-14 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad (Belastingkamer), 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, zaaknummer 22/04592, cassatie. Kernvraag — Moet bij de beoordeling of een belastingprocedure betrekking heeft op een "zeer gering financieel belang" — en dus geen aanleiding geeft tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn — ook rekening worden gehouden met nevenvorderingen zoals griffierecht en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding? En: bij welk drempelbedrag geldt voortaan dat het financiële belang als "zeer gering" wordt aangemerkt? Feiten — Naar aanleiding van een verlaging van een aanslag in de watersysteemheffing gebouwd voor het jaar 2010 ontving belanghebbende bij beschikking van 5 februari 2018 een vergoeding van € 1,20 aan invorderingsrente. Belanghebbende stond op het standpunt dat dit bedrag € 2,- had moeten zijn (een verschil van € 0,80) en tekende bezwaar aan. Na ongegrondverklaring van het bezwaar volgden beroep en hoger beroep. Zowel de Rechtbank als het Hof wezen het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financiële belang (€ 0,80) onder de toenmalige drempel van € 15 lag. Betaald griffierecht en gemaakte proceskosten werden daarbij niet meegeteld als financieel belang. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat het financiële belang bij de procedure € 0,80 bedroeg en dat dit onder de grens van € 15 viel die de Hoge Raad in HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292 had gest…