ECLI:NL:HR:2022:875

Hoge Raad 2022-06-17 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, zaaknummer 20/02700, cassatie. Kernvraag — Of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt (dan wel overtuigend heeft aangetoond, voor zover de boetebeschikking betreft) dat de uitspraak op bezwaar is verzonden, en of het beroep van belanghebbende terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Feiten — Aan belanghebbende zijn een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 2013-2014, een boetebeschikking en een beschikking belastingrente opgelegd. De inspecteur deed op 19 oktober 2018 uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft op 12 juli 2019 beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag en daarin meegedeeld dat hij noch zijn toenmalige gemachtigde de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en verklaarde het daartegen gedane verzet ongegrond, op grond van een door de inspecteur overgelegd verzendrapport uit het postregistratiesysteem, alsmede op grond van bekendheid van belanghebbende met het bestaan van de uitspraak na een telefonisch onderhoud in december 2018. Oordeel hof — Niet van toepassing (bestreden beslissing is van een rechtbank). Overwegingen — In r.o. 2.5.1 formuleert de Hoge Raad de toepasselijke bewijslastregel: Kernoverweging: > Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een schriftelijk besluit van de inspecteur hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verze…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken