Hoge Raad 22 april 2016 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, zaaknummer 15/05226, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Onder welke voorwaarden bestaat aanspraak op de verhuiskostenvergoeding van art. 11g Bbsh (oud) respectievelijk art. 7:220 leden 5 en 6 BW bij renovatie, en zijn deze bepalingen van dwingend recht waarvan de huurder geen afstand kan doen? Feiten — [Betrokkene] c.s. huren sinds 1990 een woning van Portaal in Nijmegen. Nadat de huurders bij brief van 15 februari 2007 een groot aantal gebreken hadden gemeld en om een oplossing hadden gevraagd, heeft Portaal hen drie renovatieopties aangeboden; de huurders kozen voor de meest uitgebreide variant (basisaanpak++). Vanaf augustus 2009 zijn ingrijpende werkzaamheden uitgevoerd, waarvoor de huurders gedurende vier maanden een wisselwoning moesten betrekken. De huur werd nadien verhoogd van € 466,82 naar € 611,82 per maand. In 2011 maakten de huurders aanspraak op de verhuiskostenvergoeding (€ 5.264,28). De kantonrechter wees de vordering af; het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde vervolgens prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Overwegingen — De Hoge Raad beantwoordt de vier prejudiciële vragen als volgt. Vraag 1 — relevantie van initiatief huurder (r.o. 3.5) Voor de vraag of een verhuiskostenvergoeding verschuldigd is ingevolge art. 11g Bbsh (oud) respectievelijk art. 7:220 leden 5-7 BW, is niet van belang of de renovatie wordt uitgevoerd op basis van overleg waartoe de huurder het initiatief heeft genomen…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken