Hoge Raad 22 juni 2007 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1519, zaaknummer C06/024HR, cassatie. Kernvraag — Kan een onderaannemer (eiseres) in geval van indirecte verrijking een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) instellen jegens de opdrachtgever (verweerder) die contractueel uitsluitend gebonden was aan een derde, en zo ja, tot welk bedrag? Feiten — Verweerder heeft op 30 januari 1998 aan een derde ([betrokkene 1]) opdracht gegeven een huis te ontwerpen en bouwen voor ƒ 250.000,-. De feitelijke bouwwerkzaamheden werden verricht door Bouw '75, dat daarvoor een overeenkomst had gesloten met eiseres. In december 1998 staakte Bouw '75 de werkzaamheden wegens uitblijvende betaling. Verweerder ontbond vervolgens de overeenkomst met [betrokkene 1]; op dat moment had hij ƒ 72.922,38 betaald en was het huis onvoltooid. Verweerder liet het huis door een derde afbouwen tegen een bedrag dat hoger was dan de oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom. Na toepassing van de schuldsaneringsregeling op [betrokkene 1] stelde eiseres zich op het standpunt zelf de contractuele wederpartij van verweerder te zijn; toen dat standpunt geen stand hield, vorderde zij schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Oordeel hof — Het hof wees de vordering van eiseres alsnog af. Het oordeelde dat een eventuele verrijking van verweerder niet als ongerechtvaardigd valt aan te merken, gelet op de omstandigheid dat verweerder contractueel uitsluitend met [betrokken…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken