Hoge Raad 30 juni 2006 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2106, zaaknummer R05/116HR, cassatie (rekestprocedure). Kernvraag — Of het bevel tot boedelbeschrijving van de nalatenschappen van twee erflaters terecht is gegeven, en of verzoekers tot cassatie ontvankelijk zijn in hun beroep tegen een medeappellante uit de feitelijke instantie. Feiten — Verweerders onder 2 en 3 hebben de kantonrechter te Utrecht verzocht een bevel tot beschrijving van de boedel van twee overleden erflaters te geven, met aanwijzing van een notaris. De kantonrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 16 december 2004 toegewezen. Verzoekers tot cassatie en verweerster onder 1 hebben als appellanten hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 2 juni 2005 het hoger beroep verworpen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Verweerster onder 1 is in cassatie niet verschenen. Oordeel hof — Het hof heeft het hoger beroep verworpen en de beschikking van de kantonrechter, waarbij het verzoek tot boedelbeschrijving was toegewezen, bekrachtigd. Overwegingen — Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de Hoge Raad in r.o. 3 dat het cassatieberoep mede is gericht tegen verweerster onder 1, die in de procedure voor het hof als medeappellante aan de zijde van verzoekers was betrokken. Verzoekers zijn in dit deel van het beroep niet-ontvankelijk, omdat de beschikking van het hof niet tussen verzoekers en haar is gegeven, onder verwijzing naar HR 9 augustus 2…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken