ECLI:NL:HR:1992:ZC0735

Hoge Raad 23 oktober 1992 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0735, zaaknummer 8108, cassatie. Kernvraag — Mag de rechter een verzoek tot vaststelling van het eindtijdstip van een huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik afwijzen op de enkele grond dat de verhuurder de dringendheid niet aannemelijk heeft gemaakt, zonder een belangenafweging te verrichten? Feiten — Verzoekster (verhuurder, een B.V.) heeft de huurovereenkomst met verweerders opgezegd op grond van dringend eigen gebruik (art. 7A:1623e lid 1 onder 3° BW): zij wilde de woning ter beschikking stellen aan de bedrijfsleider van een dochtermaatschappij. Verweerders stemden niet in met de beëindiging, waarna verzoekster de kantonrechter verzocht het eindtijdstip vast te stellen. De kantonrechter wees het verzoek af; de rechtbank bekrachtigde die beslissing met verbetering van gronden, oordelend dat het voorgenomen gebruik weliswaar als eigen gebruik in de zin van de wet kwalificeert, maar dat hetgeen was aangevoerd geen grondslag kan vormen voor dringend eigen gebruik, zodat een belangenafweging achterwege kon blijven. Oordeel hof — De rechtbank oordeelde dat verzoekster weliswaar een rechtsgeldig beroep op "eigen gebruik" kon doen, maar de dringendheid daarvan niet aannemelijk had gemaakt. De beschikbaarheid van alternatieve woonruimte in de omgeving, het financiële nadeel van een eventuele loonsverhoging voor de dochtermaatschappij en de wanverhouding tussen huurpenningen en hypotheeklasten achtte de rech…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken