ECLI:NL:HR:1992:ZC0485

Hoge Raad 24 januari 1992 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 24 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0485, zaaknummer 7982, cassatie. Kernvraag — Wat moet worden verstaan onder "andere passende woonruimte" in de zin van art. 7A:1623e lid 1 onder 3 BW, en in het bijzonder: is van passende woonruimte geen sprake wanneer de vervangende woonruimte een wezenlijk ander woongenot biedt? Voorts: was de rechtbank gehouden het subsidiaire verzoek om een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten te behandelen? Feiten — De verhuurder heeft verzocht het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst voor een woning met een erf van 1500 m² en een grote schuur (huurprijs ƒ 500,- per maand) eindigt op de grond dat hij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De huurders houden paarden als hobby en hebben in eerste aanleg subsidiair verzocht om een vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten van ƒ 30.000,-. De kantonrechter wees het verzoek van de verhuurder af; de rechtbank vernietigde die beschikking en stelde het tijdstip van beëindiging en ontruiming op 1 september 1991. Het subsidiaire verzoek om verhuis- en inrichtingskosten heeft de rechtbank niet behandeld. Overwegingen — In r.o. 3.2 verwerpt de Hoge Raad de klacht dat het oordeel van de rechtbank over de beschikbaarheid van andere passende woonruimte onbegrijpelijk zou zijn. De verhuurder had gesteld dat de huurders woonruimte konden betrekken via Bouwvereniging [A]; de huurders hadden daar slechts tegenin gebracht dat een dergelijke woning…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken