Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 mei 2018 — Civiel recht
Instantie en datum — Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 mei 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1832, zaaknummer 200.199.393/01, hoger beroep. Kernvraag — Heeft een huurder van sociale woonruimte die met toestemming van de verhuurder een garage heeft gebouwd en deze bij het einde van de huur heeft achtergelaten, recht op vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 7:216 lid 3 jo. art. 6:212 BW), en staat aan dat recht een contractueel uitsluitingsbeding in de weg? Feiten — Appellant huurde sinds 1991 een sociale huurwoning. In 1998 bouwde hij met toestemming van de rechtsvoorgangster van geïntimeerde een garage, waarvoor een bouwvergunning was verleend. In de toestemmingsbrief van 25 februari 1998 was uitdrukkelijk bepaald dat appellant bij beëindiging van de huur geen recht op vergoeding zou hebben. De verhuurder verhoogde de huurprijs na de bouw niet. Bij beëindiging van de huur per 30 mei 2015 liet appellant de garage achter en verzocht hij om een vergoeding. Partijen bereikten geen overeenstemming; geïntimeerde verhoogde na vertrek van appellant de huurprijs vanwege het hogere puntenaantal onder het woningwaarderingsstelsel met € 58,16 per maand. Overwegingen — Het hof behandelt drie grieven. Ten aanzien van de primaire grondslag (overeengekomen overnamesom, grieven 1 en 3): het hof oordeelt dat de kantonrechter appellant ten onrechte heeft geweigerd toe te laten tot het leveren van bewijs van de gestelde afspraak (r.o. 6.4–6.5). Het bewijsaanbod was voldoende specifie…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken