ECLI:NL:GHAMS:2018:2267

Gerechtshof Amsterdam 3 juli 2018 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Gerechtshof Amsterdam, 3 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2267, zaaknummer 200.201.758/01, hoger beroep. Kernvraag — Is tussen partijen op 4 maart 2015 een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan geïntimeerde gehouden was voor ten minste € 100.000,= aan inrichtingszaken bij appellante te bestellen, en welke rechtsgevolgen vloeien daaruit voort voor de over en weer ingestelde vorderingen? Feiten — Appellante verkoopt badkamers, keukens en aanverwante artikelen en verzorgt interieurontwerpen. Geïntimeerde is eigenaar van een woon/bedrijfspand dat na een brand in 2014 volledig moest worden heringericht. Op 15 januari 2015 spraken partijen tijdens een informeel diner over de herinrichting; geïntimeerde noemde een budget van € 100.000,=. Op 3 maart 2015 stelde appellante een begroting op van € 117.025,=. Appellante stelt dat op 4 maart 2015 mondeling is overeengekomen dat geïntimeerde voor ten minste € 100.000,= zaken bij haar zou afnemen en dat haar honorarium zou worden verdisconteerd in een winstmarge van 35%; geïntimeerde betwist dit en stelt slechts een vrijblijvende aankoopoptie te hebben gehad. Geïntimeerde betaalde twee facturen van elk € 10.000,= als aanbetaling. Na een bespreking op 17 september 2015 plaatste geïntimeerde drie bestellingen (trap met balustrade, wall rupture, jacuzzi), waarna de samenwerking strandde. De kantonrechter wees de vorderingen van appellante af en kende geïntimeerde terugbetaling van € 20.000,= toe op grond…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken