Gerechtshof Amsterdam 26 juni 2018 — Civiel recht
Instantie en datum — Gerechtshof Amsterdam, 26 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2113, zaaknummer 200.202.442/01, hoger beroep. Kernvraag — Kunnen zonnepanelen en een zonneboiler in een huurwoning worden aangemerkt als bestanddeel van de woning in de zin van art. 3:4 BW, en zo ja, kan de verhuurder daarvoor dan toch een afzonderlijke vergoeding van de huurder verlangen op grond van de redelijkheid en billijkheid? Feiten — Appellante huurt sinds 23 maart 2015 een zogeheten nul-energiewoning van geïntimeerde op Texel. De kale huurprijs ligt op de huurtoeslaggrens (€ 710,68 per maand). In de huurovereenkomst is een servicecomponent van € 65,- per maand opgenomen voor de zonnepanelen en zonneboiler, welk bedrag expliciet geen onderdeel van de huurprijs vormt. Appellante heeft van aanvang af geweigerd dit bedrag te betalen, omdat zij de installaties als onroerend bestanddeel van de woning beschouwt waarvoor geen servicekosten in rekening kunnen worden gebracht. De kantonrechter wees de vordering van geïntimeerde toe op grond van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Overwegingen — In r.o. 3.3 oordeelt het hof dat de zonnepanelen en zonneboiler bestanddeel zijn van de woning in de zin van art. 3:4 BW. De woningen zijn ontworpen als nul-energiewoningen waarbij de installaties wezenlijk zijn voor het functioneren van juist deze woningen. Blijkens de in het geding gebrachte brochure zijn de zonnepanelen zodanig in het ontwerp geïntegreerd dat zij daarvan niet kunnen wor…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken