ECLI:NL:RVS:2025:456

Raad van State 2025-02-12 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, zaaknummer 202402226/1/A2, hoger beroep. Kernvraag — Komt een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire in aanmerking voor compensatie op grond van art. 4.3 Wht voor schulden bij ING (doorlopend krediet, roodstand en creditcard) die zij heeft afgelost nadat zij het forfaitaire bedrag van € 30.000,- uit de Catshuisregeling had ontvangen, terwijl die schulden niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren? En had de minister de hardheidsclausule van art. 9.1 lid 2 onder a Wht moeten toepassen? Feiten — Appellante is gedupeerde ouder en ontving op 17 februari 2021 € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling. Zodra dit bedrag op haar rekening stond, loste zij daarmee drie schulden bij ING af: een doorlopend krediet (€ 10.014,42), een roodstand (€ 1.000,-) en een creditcardschuld (€ 982,-). Zij diende twee aanvragen in voor compensatie van deze afgeloste schulden op grond van art. 4.3 Wht. De minister wees beide aanvragen af, omdat de schulden niet voldeden aan de voorwaarde van art. 4.1 lid 2 onder b Wht: zij waren niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden. ING had bevestigd dat er geen betalingsachterstanden waren op het krediet; uit de stukken bleek evenmin van opeisbare achterstanden op de creditcard of roodstand. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond. Overwegingen — De Afdeling behandelt twee betogen: toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en toepassing van…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken