ECLI:NL:RVS:2014:188

Raad van State 2014-01-29 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, zaaknummer 201302106/1/A2, hoger beroep. Kernvraag — Welke termijnen gelden als redelijk bij de beoordeling of de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM (c.q. het rechtszekerheidsbeginsel) is overschreden in niet-punitieve bestuursrechtelijke zaken, en onder welke voorwaarden blijft de periode die gemoeid is met de aanhouding van een zaak in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie buiten beschouwing? Feiten — Appellanten dienden op 16 december 2005 aanvragen in voor reguliere verblijfsvergunningen. Het primaire besluit van 30 januari 2006 stelde de aanvragen buiten behandeling wegens niet-betaling van leges. Na een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure, waarin de rechtbank de zaak aanhield in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie (arrest Sahin, C-242/06, uitgesproken op 17 september 2009), deed de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, op 20 januari 2012 inhoudelijk uitspraak. Appellanten verzochten vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank Oost-Brabant wees dit verzoek af, omdat zij de gehele periode van aanhouding in afwachting van de prejudiciële beslissing buiten beschouwing liet en daarmee uitkwam op een totale procesduur van drie jaar. Overwegingen — De Afdeling stelt in r.o. 4.1 voorop dat procedures over verblijf van…