Raad van State 2023-03-01 — Bestuursrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak, grote kamer), 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, zaaknr. 202006816/1/A2, hoger beroep. Kernvraag — Kan de in artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (Wko) neergelegde aanvraagtermijn voor kinderopvangtoeslag in een individueel geval buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel, en in hoeverre kan een wet in formele zin worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen? Feiten — Appellante heeft op 4 januari 2018 kinderopvangtoeslag aangevraagd met terugwerkende kracht over heel 2017. De Belastingdienst/Toeslagen heeft op grond van artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, Wko slechts toeslag toegekend over de maanden oktober tot en met december 2017 (drie maanden voorafgaand aan de aanvraag) en op basis van de jaaropgave het te veel betaalde voorschot (€ 4.341,-) en € 182,- rente teruggevorderd. Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de zaak naar de grote kamer verwezen en een conclusie van staatsraad advocaat-generaal Snijders gevraagd (ECLI:NL:RVS:2022:1441). Overwegingen — De Afdeling oordeelt in r.o. 9.2 dat artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, Wko dwingend is geformuleerd. De tekst laat geen ruimte om voor een langere periode dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag toeslag toe te kennen, en noch de tekst noch de wetsgeschiedenis biedt aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever onder oms…