Raad van State 2025-07-10 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3082, zaaknummer 202502356/1/V1, hoger beroep (vereenvoudigd, art. 8:54 lid 1 Awb). Kernvraag — Is het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië (Stcrt. 2024, nr. 41538, in werking getreden op 13 december 2024) ook van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn al vóór dat moratorium was verstreken, en is die toepassing in overeenstemming met artikel 31 lid 4 van de Procedurerichtlijn? Feiten — Appellant heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft niet tijdig beslist; de beslistermijn was verstreken vóór 13 december 2024, de datum waarop het moratorium voor Syrië in werking trad. Appellant heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, heeft dat beroep bij uitspraak van 2 april 2025 ongegrond verklaard. Overwegingen — De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3600, r.o. 5.3) en past het daarin geformuleerde uitgangspunt toe (r.o. 1.1): een moratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik ervan vallen en een lopende asielaanvraag hebben waarop nog geen besluit is genomen, ook als de beslistermijn al was verstreken vóór het instellen van het moratorium. Dit uitgangspunt is niet in strijd met artikel 31 lid 4 van de Procedurerichtlijn. Uit de tekst van die bepaling blijkt dat uitstel van…