Raad van State 2024-06-12 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, zaaknummer 202304791/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — In hoeverre kan een vreemdeling in een Dublinprocedure met succes betogen dat hij niet mag worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat vanwege een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid ten aanzien van zijn bevolkingsgroep, en welke gevolgen heeft het arrest HvJEU 30 november 2023 (Ministero dell'Interno e.a., ECLI:EU:C:2023:934) voor de eerder door de Afdeling geformuleerde toetsingsmaatstaf? Feiten — De vreemdeling, een Pakistaanse ahmadi, heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft deze niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. De vreemdeling vreest bij overdracht aan Oostenrijk voor indirect refoulement, stellende dat Oostenrijk ahmadi's niet effectief beschermt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond op grond van het in de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1864) ontwikkelde kader. Hangende het hoger beroep verstirkte de overdrachtstermijn ex art. 29 Dublinverordening, waardoor Nederland inmiddels zelf verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag. Overwegingen — De Afdeling stelt eerst vast dat de staatssecretaris ondanks het vervallen van de overdrachtsverantwoordelijkheid procesbelang heeft, omdat hij in verband met toekomstige besluiten wil weten of aan het verniet…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken