Raad van State 2023-11-15 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, zaaknummer 202301456/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de staatssecretaris voldaan aan de informatieplicht van art. 5.3, eerste lid, derde zin, Vb 2000 bij het in bewaring stellen van de vreemdeling, en wat zijn de gevolgen van een eventuele schending van die plicht voor de rechtmatigheid van de bewaring en de proceskostenveroordeling? Feiten — De staatssecretaris heeft de vreemdeling achtereenvolgens op 30 januari 2023 (krachtens art. 59b, eerste lid, Vw 2000) en op 1 februari 2023 (krachtens art. 59, eerste lid, onder a, Vw 2000) in bewaring gesteld. Aan de vreemdeling is bij uitreiking van de maatregel een afschrift verstrekt in het Nederlands en is tijdens het voorafgaande gehoor via een tolk mondeling mededeling gedaan van de bewaringsgronden. Een rechtsbijstandverlener is ingeschakeld en heeft afschriften van de maatregelen ontvangen. De rechtbank achtte een gebrek aanwezig wegens schending van de informatieplicht, verklaarde de beroepen desondanks ongegrond, maar veroordeelde de staatssecretaris wel in de proceskosten. Overwegingen — Naar aanleiding van de grief van de staatssecretaris beoordeelt de Afdeling allereerst de inhoud van de informatieplicht. Art. 5.3, eerste lid, derde zin, Vb 2000 vormt de omzetting van art. 9, vierde lid, Opvangrichtlijn, dat zijn grondslag vindt in art. 6 EU Handvest en art. 5, tweede en vierde lid, EVRM. De Uniewetgever heef…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken