ECLI:NL:RVS:2021:1155

Raad van State 2021-06-02 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, zaaknummer 202006815/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Volgt uit het arrest HvJ EU 14 mei 2020, FMS e.a., dat in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet worden vermeld, en zo ja: kan een terugkeerbesluit waarin dat land niet uitdrukkelijk staat, toch dienen als grondslag voor een maatregel van bewaring? Feiten — De vreemdeling (Marokkaanse nationaliteit) heeft een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd gehad. Bij besluit van 16 mei 2017 heeft de staatssecretaris die vergunning ingetrokken, de vreemdeling opgedragen Nederland en de EU binnen vier weken te verlaten en hem gewaarschuwd dat hij kan worden uitgezet. Dat besluit staat in rechte vast. Op 1 november 2020 is de vreemdeling in bewaring gesteld krachtens art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000; de staatssecretaris heeft het besluit van 16 mei 2017 aangemerkt als het terugkeerbesluit waarop de bewaring is gebaseerd. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats 's-Hertogenbosch) heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Overwegingen — De Afdeling stelt voorop (r.o. 6) dat uit art. 15 en de systematiek van de Terugkeerrichtlijn rechtstreeks voortvloeit dat bewaring van een illegaal verblijvende derdelander in beginsel alleen mag worden opgelegd als voorafgaand aan of gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen. De bewaringsrechter is bevoegd te contr…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken