Raad van State 2020-04-08 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032, zaaknummer 202001915/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Staat de omstandigheid dat overdracht aan Italië vanwege de coronapandemie feitelijk niet kan worden uitgevoerd, in de weg aan de rechtmatigheid van het Dublin-besluit? Feiten — De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling op 19 februari 2020 niet in behandeling genomen op grond van artikel 13 lid 1 van de Dublinverordening (PB 2013, L 180), omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) verklaarde het beroep ongegrond op 18 maart 2020. In hoger beroep wijst de vreemdeling op een circular letter van de Italiaanse autoriteiten van 25 februari 2020, waaruit blijkt dat overdrachten naar Italië vanwege het coronavirus niet worden uitgevoerd, en stelt hij dat niet valt te verwachten dat deze situatie op korte termijn zal veranderen. Overwegingen — De eerste, tweede, derde en vijfde grief worden verworpen via artikel 91 lid 2 Vw 2000, zonder nadere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (r.o. 2). De vierde grief, inhoudende dat het besluit niet in stand kan blijven omdat het niet kan worden uitgevoerd, faalt (r.o. 3.1). De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat overdracht op dit moment niet kan…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken