ECLI:NL:RVS:2015:674

Raad van State 2015-02-23 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674, zaaknummer 201408880/1/V3, hoger beroep (art. 8:54 lid 1 Awb). Kernvraag — Of de rechter het standpunt van de staatssecretaris over de toepassing van een lichter middel dan vreemdelingenbewaring enigszins terughoudend dient te toetsen, dan wel volledig, en of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een lichter middel in dit geval had kunnen volstaan. Feiten — De vreemdeling is op 14 oktober 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, bevool opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe, omdat de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel (meldplicht) niet kon worden toegepast. De staatssecretaris stelde daartegen hoger beroep in. Overwegingen — De Afdeling beoordeelt in r.o. 1.1 eerst de toetsingsmaatstaf. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 23 januari 2015 (zaak nr. 201408655/1/V3) en punt 62 van het arrest Mahdi (HvJ EU 5 juni 2014, C-146/14 PPU, ECLI:EU:C:2014:1320) oordeelt de Afdeling dat de rechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een bewaring moet kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element, inclusief de vraag of andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De overwegingen van het Hof — die een grondig onderzoek naar de feiten van het concrete geval impliceren en de…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken