ECLI:NL:RBMNE:2021:2890

Rechtbank Midden-Nederland 2021-07-05 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Rechtbank Midden-Nederland, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890, zaaknummer UTR 20/3677, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Hoe moet de bestuursrechter in WOZ-zaken omgaan met beroepsgronden over schending van de verplichtingen tot het verstrekken of ter inzage leggen van op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 7:4 lid 2 Awb, art. 8:42 lid 1 Awb en art. 40 Wet WOZ)? En: is de WOZ-waarde van de woning aan de [adres 1] op waardepeildatum 1 januari 2019 terecht vastgesteld op € 259.000,-? Feiten — De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van een in 1986 gebouwde rijwoning (103 m², kavel 179 m², met aanbouw, dakkapel, garage en overkapping) vastgesteld op € 259.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser heeft in bezwaar verzocht om de grondstaffel en de taxatiekaart met KOUDV- en liggingsfactoren. Op de hoorzitting heeft eiser het ontbreken van deze stukken niet herhaald. Het bezwaar is ongegrond verklaard. In beroep bepleit eiser een waarde van € 239.000,- en voert hij ook schending van art. 40 Wet WOZ aan. Overwegingen — De rechtbank benut deze zaak om in algemene zin uiteen te zetten hoe zij beroepsgronden over procedurele verplichtingen beoordeelt in WOZ-zaken. Welke stukken zijn op de zaak betrekking hebbende stukken (r.o. 16-22)? De grondstaffel, de waarderingsfactoren (KOUDV/KOLDU) en de aan indexatie ten grondslag gelegde modelmatige gegevens zijn in beginsel op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat zij de modelmatige waardebepali…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken