ECLI:NL:GHARL:2021:7246

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2021-07-27 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7246, zaaknummer 20/00526, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden, en bestaat er op grond van art. 7:4 lid 4 Awb dan wel art. 40 lid 2 Wet WOZ een verplichting om op de zaak betrekking hebbende stukken (waaronder matrixen en grondstaffels) aan de gemachtigde van belanghebbende toe te zenden? Voorts: is de vastgestelde WOZ-waarde van € 262.000 voor het jaar 2018 te hoog? Feiten — Belanghebbende is mede-eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning te Renkum, waarvan de WOZ-waarde voor 2018 is vastgesteld op € 262.000 (waardepeildatum 1 januari 2017). In bezwaar heeft de gemachtigde verzocht om toezending van de matrix, grondstaffels en het taxatieverslag; de heffingsambtenaar stelde deze stukken slechts ter inzage ten kantore beschikbaar. Een telefonische hoorzitting vond plaats op 24 juni 2019; daarvoor was de gemachtigde uitgenodigd via een overzicht van te bespreken objecten waarop het adres van de onroerende zaak stond vermeld, maar de uitnodiging verwees formeel naar "één of meerdere WOZ-bezwaarschriften." De heffingsambtenaar handhaafde de waarde bij uitspraak op bezwaar; de Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond. Overwegingen — Inzake de hoorplicht oordeelt het Hof (r.o. 4.5) dat noch uit de e-mails noch uit het overzicht valt af te leiden dat de gemachtigde op regelmatige wijze is uitgenodigd voor een hoorzitting inzak…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken